Boeken en materialen
voor bij verliessituaties.

Tips voor jongeren

Wat kun je wel doen bij het geven van steun (met specifieke aandachtspunten voor mentor of begeleider)

  1. Steun geven zit vaak in kleine dingen zoals een knipoog, een woord, een schouderklopje of een belangstellende vraag.
  2. Wanneer je ongestoord met de jongere wilt praten, zoek dan naar een voor hem vertrouwde plek of bijvoorbeeld op school naar een plek waar je je beiden prettig voelt, het een beetje gezellig en warm aandoet en je niet gestoord wordt.
  3. Toon begrip. Begrip is belangrijker dan hulp willen bieden en oplossingen verzinnen.
  4. Richt je op de behoefte van de jongere zelf en dring steun niet op.
  5. Zeg liever niks en blijf in stilte aanwezig dan de stilte volpraten met zogenaamde 'adviezen'.
  6. Gaan zitten om er over te praten, leidt vaak tot weinig. Tijdens een ongedwongen moment, wandelend, in de auto, samen klussend, vinden jongeren het vaak gemakkelijker om iets over hun gevoelens en ervaringen te vertellen.
  7. Wijs jongeren op steunmogelijkheden die passen bij hun leeftijd zoals digitale fora, chatboxen en speciale sites.
  8. Durf jezelf kwetsbaar op te stellen. Vertel, wanneer dat past, over je eigen ervaringen met verlies of hoe lastig je het zelf vindt om met bepaalde gevoelens om te gaan zonder daarmee meer ruimte in te nemen in de ontmoeting dan de jongere zelf.
  9. Stel open vragen die de ander de ruimte biedt om te praten.
  10. Vat regelmatig samen wat hij heeft gezegd, waardoor de ander merkt dat je echt luistert en je ook nagaat of je het goed begrepen hebt.
  11. Als praten niet werkt, zoek dan alternatieve 'talen' zoals muziek, gedichten, verhalen, foto's, tekeningen en andere creatieve uitingen.
  12. Geef ook praktische steun zoals samen nagaan wat mogelijk is op school of door te helpen plannen.
  13. Vaak hebben jongeren behoefte aan achtergrondinformatie over rouwen. Wat is normaal en wat is niet normaal?
  14. Vraag niet: "Hoe voel je je?" wanneer je een laag dieper wilt in het gesprek, maar benoem de gevoelens die je waarneemt: "Ik merk dat je verdrietig bent, klopt dat?"
  15. Let op de ademhaling. Vaak zet de jongere de ademhaling vast. Vraag om diep door te ademen.
  16. Let op de lichaamshouding. Bij spanning of weerstand zet de jongere het lichaam 'op slot'. Probeer hem te laten ontspannen.
  17. Vraag ook in een later stadium nog regelmatig hoe het gaat.
  18. Neem het risico dat je fouten maakt. Het is beter een fout te maken en die te herstellen dan niks te doen.
  19. Rouwende jongeren moeten zich, net als andere jongeren, aan regels houden tot blijkt dat het nodig is om een uitzondering te maken en niet andersom.
  20. Probeer jongeren zelf krachtiger te maken en hen niet alles uit handen te nemen.
  21. Leer jongeren uit te spreken waar ze behoefte aan hebben en zich hier niet voor te schamen.
  22. Hou er rekening mee dat het verdriet regelmatig opnieuw naar boven komt. Soms op speciale dagen, maar soms ook onverwacht.

Wat kun je beter niet doen?

  1. De jongere aanspreken waar anderen bij staan
  2. Ongevraagd adviezen geven: "Als ik jou was, . . ."
  3. Zelf het gesprek volpraten met voorbeelden en eigen ervaringen
  4. Zeggen dat de ander intussen genoeg gerouwd heeft en het leven verder gaat.
  5. Gevoelens afnemen door tranen meteen te drogen of te doen alsof het allemaal niet zo erg is.
  6. Een oordeel geven of het allemaal beter weten.
  7. Fabeltjes over rouw vertellen zoals: 'als dat eerste jaar maar eens voorbij is', 'je kunt alleen goed rouwen door je gevoelens te tonen' en dergelijke.
  8. Zoeken naar oplossingen in plaats van luisteren.
  9. Uit je rol gaan. Een ouder is geen hulpverlener maar gewoon een vader of moeder die steun kan geven. Een leraar is geen psycholoog of therapeut(maar kan wel begeleiden).
  10. Proberen om iemand geforceerd op te vrolijken.
  11. Te bang zijn en daarom niks doen.
  12. Bang zijn om door te vragen. Jongeren geven vaak kleine hints en zijn teleurgesteld als je daar niet op ingaat.
  13. Woorden gebruiken als: waarom, toch, als je nu, maar, zou je niet . .
  14. Clichés gebruiken. 'Het gaat wel weer over', 'het hoort bij het leven', 'je krijgt vast wel weer een nieuwe vriend', 'je moeder is nu beter af, ze had zoveel pijn', 'je opa was al oud, hij heeft een goed leven gehad'.
  15. De jongere behandelen alsof hij zielig is.
  16. Vertellen dat het verdriet ooit helemaal over is.
  17. Verbieden dat de jongere na verloop van tijd nog rouwt.